Het waaiertje: de taaiste zwam van Nederland, en waarom hij overal groeit

Op bijna elke dode tak in Nederland zit hij wel ergens: een waaiertje van een tot vier centimeter, grijswit, fijn behaard, met aan de onderkant lamellen die in de lengte gespleten zijn. Het waaiertje, Schizophyllum commune, is zo gewoon dat niemand ernaar kijkt. Dat is jammer, want het is een van de meest bijzondere organismen die je op hout kunt tegenkomen, en de enige soort in ons assortiment die we verkopen om andere redenen dan de pan.

Waarom groeit hij overal?

Het waaiertje komt voor op alle continenten behalve Antarctica, op vrijwel elke houtsoort, van eik tot palm, en zelfs op strobalen, oude boeken en, in een beroemd geval, op de romp van een schip. Het geheim is zijn droogtebestendigheid. Een waaiertje kan volledig uitdrogen, maanden of zelfs jaren als een hard schilfertje aan de tak hangen, en na een regenbui binnen uren weer opzwellen, zijn lamellen openvouwen en sporen loslaten. Weinig andere paddenstoelen kunnen dat. Daar komt bij dat de soort meer dan twintigduizend verschillende paringstypen heeft, waardoor bijna elke ontmoeting tussen twee waaiertjes een vruchtbare is. Het is een organisme dat gebouwd is om nergens weg te blijven.

Is het waaiertje eetbaar?

Ja en nee. In Europa geldt hij als oneetbaar, niet omdat hij giftig is, maar omdat hij zo taai is als leer. In delen van India, Indonesië, Thailand en Mexico wordt hij wél gegeten: lang gestoofd in curry's en soepen, of gedroogd en gekauwd als een soort hartige snack. Wie het probeert, moet lang koken en niet op een vlezige hap rekenen. Het is eerder een kruid of een structuur dan een maaltijd. Eerlijk gezegd is dit geen soort die je kweekt om te eten, en zo verkopen we hem ook niet.

Waarom kweekt iemand hem dan?

Om drie redenen. De eerste is nieuwsgierigheid: het waaiertje is een modelorganisme in de mycologie, een van de best bestudeerde schimmels ter wereld, en wie hem op een eigen stam ziet groeien, opdrogen en weer tot leven komen, begrijpt meer van hoe schimmels werken dan uit welk boek ook. De tweede is onderzoek en interesse in zijn inhoudsstoffen: uit het waaiertje wordt schizofyllaan gewonnen, een bèta-glucaan dat in Japan medisch wordt toegepast en waar veel onderzoek naar loopt. De derde is praktisch: het waaiertje koloniseert hout dat andere soorten laten liggen, ook dunne takken en houtsnippers, en is daarmee een dankbare eerste bewoner van een takkenril die je snel wilt zien leven.

Een eerlijke kanttekening

Het waaiertje staat in de medische literatuur ook bekend als een zeldzame veroorzaker van infecties bij mensen met een sterk verzwakt afweersysteem, meestal in de bijholten of longen. Voor gezonde mensen is dat geen zorg, de sporen zweven letterlijk overal in Nederland en niemand ontkomt eraan. Maar wie een ernstig verzwakte afweer heeft, kweekt deze soort beter niet in huis en hangt niet met zijn neus boven een sporenwolk. We noemen het omdat we het liever een keer te veel zeggen.

Hoe kweek je het waaiertje?

Zoals elke houtzwam, maar makkelijker. Pluggen in vers hout, elke loofboom werkt, dunne takken van vijf centimeter zijn al genoeg. Boren, pluggen erin, was erover, in de schaduw leggen. Het waaiertje is snel: vaak binnen een halfjaar de eerste waaiertjes, en daarna jaren achtereen, met een piek na elke natte periode. Het is de soort die het minste geduld vraagt van alles wat we verkopen, en de soort die je het vaakst over het hoofd ziet omdat hij zo klein is.

Voor wie is dit?

Voor de nieuwsgierige, de verzamelaar en de leraar. Voor wie een houtwal snel tot leven wil brengen. Voor wie geïnteresseerd is in wat schimmels kunnen buiten de keuken. Niet voor wie een oogst wil: neem dan een oesterzwam. Maar wie eenmaal een stuk hout vol waaiertjes in de regen heeft zien opzwellen, kijkt daarna anders naar elke dode tak in het bos. Dat is ook wat waard.

Terug naar blog